Pagina update: 4 juni 2010
In het Begin...
 
Iedereen die voor het eerst een telescoop op de lucht richt om te beginnen met het verkennen van het heelal maakt hetzelfde mee: Wat is er te bekijken?
Hoewel er ongelooflijk veel objecten zijn die je kan waarnemen is het niet erg voor de hand liggend wàt er precies bekeken kan worden. Toen ik eind 2000 met waarnemen begon ervoer ik hetzelfde. Wat is er nou eigenlijk te zien?

Boeken, kaarten, software en andere bronnen bieden uitkomst. Met deze hulpmiddelen is het een stuk duidelijker wat er zichtbaar is en waar het staat. Desondanks is weten dat er iets te zien is niet genoeg. Een object moet ook nog gevonden worden! Eenmaal gevonden blijkt het toch wel snel uit beeld te lopen. Opeens blijkt de aarde helemaal niet zo langzaam te draaien! Maar hoe houd je dan iets in beeld, welke vergroting kan je het beste gebruiken, wat is het eigenlijk dat je bekijkt, en... wat ga je hierna bekijken?
Toen ik beter doorhad hoe ik mijn eerste telescoop, een ETX-125EC moest bedienen was het vinden en volgen van objecten niet moeilijk meer. Starhoppend met een lage vergroting vond ik de felste, bekendste objecten die een kaart of boekje aangaf. Al snel wilde ik meer dan avond na avond dezelfde dingen zien. Saturnus en Messier 42 zijn prachtig, maar om daar nou iedere keer weer opnieuw uren naar te gaan zitten staren... Ik wilde meer zien dan de Maan en een paar planeten, meer dan wat Messiers en een handjevol felle NGC's. De telescoop de juiste kant op draaien om iets te vinden was geen uitdaging meer. Daarnaast wilde ik niet, achter mijn telescoop onder een heldere hemel, tijd verspillen met het opzoeken van objecten. Bladeren in een boekje om uit te vinden wat er zichtbaar is en waar het staat wordt snel een sleur. Bovendien maken sterrengidsen en kaarten zelden duidelijk of een object wel of niet binnen het bereik van je materiaal ligt.

In plaats van in het veld in een sterrengidsje te bladeren om er achter te komen wat er te zien was ging ik thuis alvast lijstjes maken. Gewoon een aantal objecten die op een gegeven avond bekeken kunnen worden. Deze lijstjes waren kort en bevatten naast de namen van de objecten en de sterrenbeelden waar ze in staan geen verdere informatie. Met deze korte lijstjes op zak kon ik op één avond veel meer bekijken. Ik wist welke objecten gunstig stonden, waar ze stonden en vermoedelijk waren ze ook zichtbaar door mijn telescoop. Toch was dit verre van optimaal. Enerzijds omdat deze korte lijstjes relatief snel te doorlopen waren waardoor het weer tijd werd voor een gidsje om iets nieuws te gaan zoeken. Anderzijds omdat sommige objecten toch niet binnen het bereik van mijn telescoop bleken te liggen omdat ze te zwak, te klein of juist te groot waren. Steeds weer viel ik terug op het bladeren in gidsjes, weer op zoek naar iets dat ik nog niet eerder gezien had.



Begin 2001 wist ik de GOTO mogelijkheden van mijn telescoop goed te benutten. Hierdoor kon ik nog sneller objecten in beeld brengen en was een waarneemlijstje sneller voltooid. Hierdoor stond ik me steeds vaker af te vragen wat er nog meer te zien was. Té vaak bekeek ik een object waarbij ik dacht: "Oh, die weer, die ken ik al..." De database van de Autostar controller van mijn telescoop bood ook geen uitkomst. Van de meer dan 7000 NGC objecten in het geheugen is van het overgrote deel niet zonder verdere informatie te bepalen waar het object staat en of het wel of niet binnen het bereik van je telescoop valt. Boeken als Burnham's Celestial Handbook en enkele eenvoudigere gidsjes zorgen ervoor dat je in ieder geval thuis kan opzoeken welke objecten je mag verwachten te kunnen zien. Met behulp van deze documentatie is de database van een controller effectiever te gebruiken, maar dat geldt nog steeds alleen voor deepsky objecten. Inmiddels vond ik het ook erg leuk om carbon- en dubbelsterren te bekijken. Daarin voorziet de database van een GOTO controller niet.

Gelukkig hebben Meade's Autostar bestuurde telescopen de mogelijkheid om tours te gebruiken: Eenvoudige tekstbestanden waarmee de controller geladen kan worden. In plaats van papieren lijstjes te schrijven kon ik de objecten verzamelen in een bestandje en de telescoop daarmee aansturen. Genoeg bewolkte avonden zorgden ervoor dat deze tours snel in aantal groeiden. Wanneer ik nu ging waarnemen kon ik meer objecten zien dan ooit tevoren. Vooraf plande ik wat ik ging bekijken, rekening houdend met de positie van objecten en de capaciteiten van mijn telescoop. Te zwakke, kleine of grote objecten voegde ik niet toe. In plaats van een handjevol objecten te bekijken om daarna weer door een gidsje te bladeren, bekeek ik nu met regelmaat zo'n vijftig verschillende objecten per avond. Vooraf gepland en bijna alles dat ik plande viel binnen het bereik van mijn materiaal.
 
Gerichte Planning
 
Van 2001 tot 2004 schreef ik tours voor alle sterrenbeelden die vanuit Nederland zichtbaar zijn. Deze gerichte verzameling van gegevens zorgde ervoor dat ik de keren dat het helder was een grote verscheidenheid aan objecten kon bekijken. Eind 2003 begon ik mijn waarnemingen vast te leggen.
Hoewel de tours het mogelijk maakten veel te zien in relatief korte tijd bleef ik me afvragen wat het nou was dat ik zag, of beter gezegd: wat ik ging bekijken aan de hand van de tours. Mijn tours bevatten weliswaar gegevens over de objecten, zoals magnitude en grootte, maar die informatie lezen op een 16 character scrolline van een Autostar controller is niet echt praktisch. Het idee begon te groeien om gidsen te schrijven met informatie over de objecten in de tours. Zodoende kon ik de controller gebruiken om de objecten in beeld te brengen met daarnaast een zelf geschreven gids met relevante informatie. Hiermee werd het mogelijk om vooraf te weten hoe fel of groot een object is en daarmee bijvoorbeeld welke vergroting waarschijnlijk optimaal is. Door ook afbeeldingen toe te voegen is het bovendien mogelijk om zeker te weten dat je op exact de juiste plaats kijkt. Daarmee is het gemakkelijker om erg zwakke objecten met zekerheid waar te nemen.
 
Waarneemgidsen
 
In 2004 begon ik voor alle objecten in mijn tours gidsen te schrijven in MS Word. Gegevens uit Burnham's Celestial Handbook, Sky Atlas 2000.0 Companion maar ook data van internet voegde ik toe. Voor ieder sterrenbeeld waar ik al tours voor had geschreven creëerde ik gidsen waarin objecten gecategoriseerd werden. Carbonsterren, dubbelsterren, open- en globular clusters, nevels, donkere nevels, planetaire nevels, supernova restanten, sterrenstelsels, asterismen en overigen. Met deze informatie op een clipboard en de bijpassende tour in de telescoop bekeek ik tot zo'n 150 objecten tijdens een enkele waarneemsessie. Het overgrote deel van deze objecten had ik nooit eerder gezien. Tot op de dag van vandaag is daar nog steeds weinig verandering in gekomen. Steeds wanneer ik onder de sterren sta probeer ik zoveel mogelijk nieuwe objecten te bekijken. Dankzij de gidsen weet ik vooraf wat ik van een object kan verwachten en of er bijzonderheden zichtbaar zijn. Daarnaast is het een leuke aanvulling om van veel objecten die worden waargenomen extra gegevens beschikbaar te hebben, zoals de afstand in lichtjaren, de leeftijd of objecten in de omgeving.
 
Uitbreiding & Verbetering
 
Sinds ik het programma AstroPlanner begin 2007 in gebruik nam groeide het aantal objecten in mijn gidsen exponentieel. Hetzelfde geldt voor de gegevens die ik erover kon vinden. In plaats van alleen de mooiste of felste objecten te omschrijven ben ik alle objecten toe gaan voegen die binnen het bereik van mijn telescoop liggen. Ook de relatief zwakke DSO's, of dubbelsterren die erg dicht bij elkaar staan. Met het oog op de aanschaf van een telescoop met een groter aperature ben ik gidsen gaan schrijven voor DSO's t/m mag. 14.0, carbonsterren t/m mag. 11.0 en dubbelsterren t/m mag. 14.0, waarbij de componenten een afstand van 0.7" of meer hebben. In oktober 2008 heb ik in Sutherland, Zuid-Afrika tijdens waarnemingen met een Celestron 11" CPC voor het eerst gemerkt dat de lat hiermee niet te hoog ligt: Zeer veel sterrenstelsel tot mag. 14 waren goed zichtbaar. Hoewel de zeer goede omstandigheden in Sutherland daar zeker toe bijdroegen geeft het aan wat er mogelijk is. Ik heb ervoor gekozen om me bij het samenstellen van de gidsen niet te beperken tot de bekende lijsten en catalogi. De Messiers of de objecten in de Herschel 400 komen vanzelf voorbij. Bovendien voeg ik bijvoorbeeld simpelweg alle Herschel objecten toe.
Inmiddels heb ik al een redelijk aantal gidsen geschreven voor 'zuidelijke' sterrenbeelden, maar net zoals voor de 'noordelijke' geldt: Hoe meer objecten je toevoegt, hoe meer informatie je vindt. Gezien het enorme aantal objecten die wereldwijd waargenomen kunnen worden met amateurtelescopen verwacht ik nog jaren nodig te hebben voordat de gidsen voltooid zijn. Iedere gids geeft echter weer nieuwe waarneemkansen. Tegelijkertijd geeft iedere waarneming weer nieuw inzicht of inspiratie voor het verbeteren van de gidsen. Genoeg om er nog jaren mee bezig te zijn.
 
Waarnemingen plan ik gericht. Sinds enkele jaren heb ik daar mijn eigen aanpak voor.
De tekst hieronder geeft daar toelichting op.